Begin 1904 werd door de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging een eenheidsklasse van zeiljachtjes gesticht onder den naam van A.B.C. klasse. De bedoeling van dergelijke eenheidsklassen: waarvan de scheepjes allen volkomen gelijk van vorm en bouw, van optuiging en van afwerking zijn en ook als zoodanig onveranderd moeten blijven: is bij aankomende zeilers en beginnelingen de liefhebberij op te wekken en tusschen hen wedstrijden te organiseeren, in handige en vertrouwde maar niet al te kostbare scheepjes. Van deze A.B.C.-jachtjes werden er toen der tijd een 13 tal bij de Firma H. Heidtmann te Hamburg voor rekening van leden der „Koninklijke" gebouwd ; echter werd de bepaling gemaakt, dat er buiten deze 13 oorspronkelijk bestelde jachtjes geen nieuwe weer mochten gebouwd worden, althans geen verdere tot de wedstrijden mochten worden toegelaten. Aanvankelijk hadden de wedstrijden met de A.B.C.-jachtjes veel succes, maar al spoedig was de aardigheid er weer af, vermoedelijk omdat het altijd dezelfde eigenaars waren, dié met hun jachtjes de prijzen en premies weghaalden, zoodat de overigen zelden of nooit kans kregen en dan ook van lieverlede wegbleven, hun jachtjes verkochten of zoodanig lieten veranderen, dat zij niet aan de wedstrijden meer mochten mededoen. Er was echter nog een andere reden waarom de A.B.C.-klasse geen opgang maakte. De kleine, zeer handige en prachtig manoeuvreerbare scheepjes waren wegens hun diepgang met vaste lood en kiel van M. 1.05 niet geschikt voor onze binnenwateren en voor de Zuiderzee deugden ze met hun open stuurkuip eerst recht niet, zoodat ze op een vrij beperkt aantal vaarwaters aangewezen bleven. Noch voor de Friesche meren, noch voor de Loosdrechtsche plassen, noch voor stroomen als de Amstel, de IJsel en andere konden ze wegens hun diepgang gebruikt worden. De A.B.C.-jachtjes waren, wat men noemt, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken: ze waren te klein voor de zee en staken te diep voor de binnenwateren. Het geringe succes met de A.B.C.-klasse heeft echter blijkbaar nog niet genoeg leergeld gekost, want sedert 1908, is men reeds zinnende, om het experiment nog eens op een andere manier te herhalen. Wel heeft de Zaan landsche Zeil vereeniging omstreeks dien tijd een goedkoope middenzwaardklasse, Z.Z.V. klasse genaamd gelanceerd (550 Gulden compleet) met een betrekkelijk succes, maar haar pogen mocht van hoogerhand geen ondersteuning noch medewerking ondervinden, doch werd veeleer op allerhande manieren tegengewerkt, (het gewone noodlot van alles wat niet van zekere zijde komt). Ook de Firma de Vries Lentsch te Nieuwendam had reeds in 1913 plannen voor een grooter soort A.B.C.-jachtje, welke zij met het oog op den aanschaffingsprijs van 1000 Gulden, de "Drie Nullen Klasse" noemde, maar men was toen van hoogerhand weer niet voortvarend, huiverde zooals gewoonlijk en talmde en draalde zooals altijd: totdat eindelijk het groote Congres voor Watersport het ten slotte onvermijdelijk maakte, van al de breedsprakige theorieën en grootscheepsche, plannen ten minste een kleinigheidje tot werkelijkheid te laten komen. Zoo werd eigenlijk als een soort wanhoopsdaad en met een vloek en een zucht, de Regenboogklasse ingesteld en gelanceerd en wij overdrijven met deze aanduidingen geenszins, daar aan deze nieuwe Regenboogklasse, behalve dan de fouten welke ook de A.B.C.-Klasse reeds had, nog veel ernstiger fouten kleven, en waarvan wel de ernstigste zijn, de exorbitante aanschaffingsprijs en dat het klinkwerk met gegalvaniseerd ijzeren klinknagels in plaats van met koper geschieden zal. Immers ieder vaartuig dat niet met koper geklonken is en z.g. niet kopervast is, heeft maar een zeer korten levensduur, Ter vergelijking van maten, aanschaffingsprijs, enz. enz., diene het volgende staatje. A.B.C.-klasse. Regenboogklasse anno 1904. anno 1916. lengte over alles; M. 7.20 M. 8.— waterlijn; M. 4.55 M. 5.20 grootste breedte; M. 1.80 M. 1.98 grootste diepgang; M. 1.05 M. 1.10 ballastkiel lood ijzer grootzeil; M. 29.25 M.28.— fokzeil; M. 6.95 M. 8,50 klinkwerk kopervast gegalvaniseerd ijzer aanschaffingsprijs; ƒ. 720. ƒ. 1850. Waar de bouwvoorschriften voor beide scheepjes gelijke houtsoorten voorschrijven o a. eiken voor kiel en spanten, vuren voor de beplanking en pitchpine voor het dek, en waar de afmetingen niet noemenswaardig verschillen, het zeiloppervlak zelfs kleiner, de zooveel goedkoopere gietijzeren ballastkiel in plaats van lood en gegalvaniseerd ijzerklinksel in plaats van koperklinksel is gekozen; daar springt het enorme prijsverschil der beide scheepjes zeer bedenkelijk in het oog en lijkt de prijs exorbitant en absoluut niet in verhouding tot hetgeen men doorgaans voor een dergelijk vaartuig placht te besteden! (zelfs niet in deze O.W. tijden). Wij begrijpen van dezen prijs niets. Het oorspronkelijk ten congresse behandelde Regenboogjacht door de firma de Vries Lentsch aangeboden, behoefde slechts ƒ. 1000 te kosten, en was nog wel 12 cM. langer en voerde circa 6 Meter meer zeil. Het klinken met gegalvaniseerd ijzer lijkt ons zeer bedenkelijk en al is hier het door den oorlog ontbreken van koperklinksel „Force majeure", voor ons zou deze omstandigheid zeker een afdoende reden zijn geweest, om dan maar liever de stichting dezer klasse tot na den oorlog uit te stellen. Na het wachten van zooveel jaren, speelt een uitstel van 12 maanden geen rol. Als aanbeveling der Regenboogklasse wordt hoogerhands gezegd, dat zij iets zeewaardiger is als de A.B.C.-klasse, maar men had evengoed kunnen beweren, dat een opgezet paard iets sneller is als een geprepareerd krokodil; De A.B.C- en de Regenboogjachtjes zijn net zoo min zeewaardig, als beide doode viervoeters snel zijn ! Wij herinneren ons zeer goed den kostelijken tijd, dat de A.B.C.-ers zoogenaamd zee bouwden, met hun, bij het schoonste weer van de wereld in oliegoed gestoken bemanningen, die zelden met een drogen draad aan het lijf, weer thuis kwamen, als ze ten minste niet in een of andere haven gevlucht waren. Alleen de Dorykiasse zaliger was nog eventjes natter, met haar generale en steriotiepe kapzijspartijties. Men beweert ook, dat de Regenboogklasse een groot succes wordt, nu er inderdaad reeds ruim een twintigtal vaartuigjes besteld zijn. Zondertwijfel zal de klasse een succes worden, maar met name en welhaast uitsluitend voor de „Koninklijke", aan wie in dezen de leiding is opgedragen. Of de klasse echter ook voor onze zeilsport zelf een succes zal worden, meenen wij zeer sterk te moeten betwijfelen. Behalve dan, dat deze vaartuigen op al te begrensde wateren zijn aangewezen en geheel ongeschikt zijn om als werkelijk nationaal scheepje te dienen, voor wedstrijden en toerisme, vreezen wij maar al te zeer, dat het weer zal gaan als met de A.B.C.-jachten: nl. dat enkele in handen vallen van z.g. championzeilers, die dan steeds de prijzen weghalen en voor de overigen, de beginners de pret en de liefhebberij spoedig verdwenen zal zijn! Zoo ging het met de A.B.C.-jachtjes. Zoo ging het met de Dories en zoo ging het ook met de Dinghies! Ook lijkt ons het grond-idée der Regenboogsklasse, nl. de scheepjes te onderscheiden door ze ieder in een andere kleur van den Regenboog te schilderen, zoodat ze op een wedstrijd goed uit elkander te houden zijn, niet erg gelukkig. Het aantal kleuren is zeer beperkt en bijkleuren of tusschenkleuren zijn van verre absoluut niet te onderscheiden. Hoe moet dat nu met twintig en en meer vaartuigen? Verder lijkt het ons niet juist, dat bij gelegenheden als deze, een enkele jachtbouwer voor kort of voor langer wordt aangewezen, als uit sluitend leverancier van dergelijke jachten. Er zijn ontelbare redenen die tegen een zoodanige bevoorrechting pleiten. Beter is het zeker, het prijsgekroonde plan met een behoorlijken prijs te honoreeren en dan alle jachtbouwers tot levering toe te laten, dan zich te verhangen aan een enkelen kapstok en zoo alle andere mededingers achter te stellen en te verongelijken! Het wil ons voorkomen, dat men onze zeilsport een veel grooteren dienst bewezen had, door te beginnen met eerst de ontworpen middenzwaard klasse in te stellen. Daarmede zou ten minste ons geheele land geholpen en gediend zijn geworden en zou de zoo noodlottige kloof, door de hoogerhandsche oriëntatie in de richting van het internationale wedstrijdwezen, ontstaan tusschen onze Hollandsche Watersportcentra en de Noordelijke Provincies, ten minste overbrugd zijn geworden. De scheepjes dier klasse zijn heel wat goedkooper, plm. 700 Gulden, als de Regenboogers en vallen onder het bereik van een veel grootere catagorie van menschen. Er zou van deze Middenzwaardklasse ongetwijfeld een veel grootere propaganda zijn uitgegaan, als van deze Regenboogklasse, die feitelijk weer een propaganda voor de „Koninklijke", dan wel voor de zeilsport kan genoemd worden, en daarin ligt waarschijnlijk dan ook wel de eenige reden, dat die klasse nu zóó nolens volens, zóó overnacht en zoo allen bezwaren ten spijt, in de wereld gedreven is en onderschoven als een onmiskenbaar koekoeks ei. Ten slotte drukken wij hieronder een kort uitknipsel uit hettijdschrift „Wassersport" af, vermoedend dat eventueele promotors van deze en verdere eenheidsklasse daarmede hun voordeel kunnen doen. Vor einigen Jahren wurde die nebenstehend abgebildete Einheitsjolle von dem bekannten englischen Konstrukteur C. F. Nicholson in Gosport gezeichnet für einen der kleinen Clubs an der englischen Südküste, deren Mitglieder als besonderen Sport das Segeln mit kleinen offenen Êinheitsbooten betreiben. Solche Clubs finden sich haufig zusammen in irgendeinem Küstenörtchen und sie pfiegen auch gewöhnlich mehrere Jahre hindurch ein glücklidies Dasein zu führen, solange nicht ein hervorragender Segler in ihnen vorhanden ist, der den anderen samtliche Preise fortnimmt. Ist das der Fall und wird nicht bei Zeiten Abhilfe geschaffen durch die Clubleitung, so pflegen die Wetfahrten der Klasse schnell zu veröden und der ganze Scherz ist aus. Diese Gefahr ist natürlich den Clubleitungen sehr wohl bekannt und in der Regel pflegen sie sich dadurch zu helfen, dass sie beim Auftauchen hervorragend guter Segler in der Klasse eine Belastung einführen von meistenteils einer Minute für einen 10—12 Meilen langen Kurs, die solange beibehalten wird, bis ein grósserer Teil der Mitglieder infolge der gewahrten Vergütung nach und nach zu Preisen gekommen ist. Spaterhin kann die Vergütung dann nochmals erhöht werden, oder die Klasse wird zur Altersklasse umgewandelt. Hauptsache ist, dass zur Gründung der Klasse ein netter Entwurf bereit liegt, der angenehm in die Augen fallt, und dass der Preis des Einheitsbootes ein niedriger ist, der allerdings nur durch Reihenbau innegehalten werden kann.